Restauratie van de beiaard van de Amsterdamse Westertoren

Uit: Klok & Klepel officieel orgaan van de Koninklijke Nederlandse Klokkenspel-Vereniging maart 2026.

De gerestaureerde Westertoren

Tekst: Gideon Bodden

De beiaard van de Westertoren

Het stadsbestuur van Amsterdam verleende in 1643 opdracht aan de beroemde waterbouwkundige en molenmaker Jan Adriaanszoon Leeghwater om een nieuw carillon met uur- en speelwerk te installeren op de nieuwste en hoogste toren van de stad, de toren van de Westerkerk. De klokken waren waarschijnlijk gegoten door stadsklokkengieter Assuerus Koster, wogen gezamenlijk 29577 pond maar klonken teleurstellend. Nadat de broers Hemony in 1651 vanuit Zutphen een nieuw, schitterend klinkend carillon leverden voor de Beurstoren, werden deze heren snel met gunstige vestigingsvoorwaarden verleid zich in Amsterdam te vestigen. Van de twee eerste klokkenreeksen die de nieuwe Stadsklokkengieter François Hemony in 1658 in de gieterij aan het Molenpad goot, was de kleinste bestemd voor de Westertoren. Hiertoe werden de oude klokken van Koster -die het moest beleven zijn eigen klokken de toren uit te moeten halen om deze bij Hemony als schroot in te leveren- omgesmolten. Het nieuwe instrument werd geïnstalleerd en van nieuwe uur- en speelwerken voorzien door Jurriaen Spraeckel. In 1696 kreeg Claude Frémy opdracht voor het uitbreiden van het Westertorencarillon, net zoals dat van de Oudekerkstoren, de Munttoren, de Zuidertoren en de toenmalige Stadhuistoren, met enkele kleine klokjes. Voordat Frémy zijn opdracht kon voltooien, overleed hij. Het werk werd door de weduwe van Frémy, Catharina ten Wege, in 1699 opgeleverd, nadat zij de klokjes had laten gieten door Claes Noorden. Vanaf dat moment telde het carillon van de Westertoren 35 klokken.

Alle klokken waren bevestigd aan brugstaven in de 8 vensters van de onderste vierkante torenlantaarn: de zwaarste klokken aan de westzijde, boven de ingang van de kerk, de allerkleinste klokjes bovenin de vensters aan de Oostzijde, gericht op de Grachtengordel en het hart van de stad en de tussenliggende klokken rondom. Waarschijnlijk was de tractuur voor het handspel als broek-systeem uitgevoerd. De speeltafel van 1659, die thans museaal staat opgesteld op de tweede torenzolder, is voorzien van een orgelpedaal, maar het is niet duidelijk of dit aanvankelijk al -in die vorm- aanwezig was.

Het carillon gefotografeerd in 1949. De inkepingen in de westelijke torenstijlen, om de grootste carillonklok te kunnen inpassen, zijn gemaakt in 1659. Deze klok hangt nu weer op precies dezelfde plaats.

Drie eeuwen intact

Schilderijen, tekeningen, archiefstukken en tenslotte foto’s door de eeuwen heen bieden grond voor de veronderstelling dat de Westertorenbeiaard tussen 1699 en 1959 technisch geen wezenlijke veranderingen heeft ondergaan. De klank van de klokken is echter wèl veranderd. Luchtverontreiniging, met name zwavel in de vorm van ‘zure regen’, tastte vooral in de eerste helft van de 20ste eeuw het klokkenbrons aan, waardoor de kleinere klokken dunner werden en zo in toon daalden. Bovendien raakten de klokken bedekt met dikke lagen gecorrodeerd materiaal, wat de klank ernstig bezoedelde.

Inmiddels zijn de zwaveldioxideconcentraties in de lucht in Nederland en ook in Amsterdam zeer sterk gereduceerd en dat geldt dus ook voor de risico’s op verdere chemische schade aan historische carillonklokken die aan de buitenlucht zijn blootgesteld.

Een interessante stelling is daarom, dat àls historische carillonklokken rond 1850 uit de torens zouden zijn gehaald en conserverend zouden zijn opgeslagen, dan hadden ze rond deze tijd veilig weer in de torens kunnen worden opgehangen en in gebruik worden genomen en hadden ze nog eeuwen lang in functie kunnen blijven.

Commissie Prent Na ommekomst van de door het Amsterdamse gemeentebestuur ingestelde onderzoekscommissie onder leiding van dhr. J. Prent, na heftige debatten, conflicten, vergissingen en verschuivende standpunten, ontstond halverwege de jaren 1950 een groot restauratieplan voor alle vier de Amsterdamse carillons en besloot het gemeentebestuur tot een algehele vernieuwing van de beiaard van de Westertoren. Aldus werd door klokkengieter B. Eijsbouts in 1959 een nieuwe beiaard gemaakt, waarvan de klokken niet meer aan de oude brugstaven hingen maar in een frame uit constructiestaal. In de nieuwe vier octaafsbeiaard werden alleen de 14 zwaarste Hemonyklokken gebruikt: het maximale aantal Hemonyklokken dat in niet-herstemde toestand muzikaal bruikbaar was. In de nieuwe klokkenstoel kregen de 47 klokken van de nieuwe beiaard een plaats, maar óók 15 niet meer gebruikte Hemonyklokken. Samen met de 7509 kg wegende uurklok uit 1638, hingen er vanaf 1959 dus 63 klokken in de lantaarn. Als gevolg van een uitbreiding met een lage Es-klok en twee kleine cis- en d-klokjes in 1991, werd zelfs het aantal van 66 bereikt.

Vooruitgangsgedachte

De beiaard werd naar de modernste inzichten van die tijd ontworpen en ingericht: zoveel mogelijk kleine klokken compact in het midden, laag in de lantaarn, aan rijen, voorzien van een tuimelaartractuur met lange assen en voor de discant zelfs het zogenaamde ‘Easey-systeem’, waarbij de klepels niet in de klokken hingen maar aan de tuimelaars bevestigd waren. Alleen de klokken waarvoor in het midden geen ruimte beschikbaar was, werden in de vensters geplaatst. Een nieuwe stalen speeltafel werd op een nieuwe verdiepingsvloer vlak onder het bellenplat geplaatst, om de lengte van de draadverbindingen te beperken.

Zicht op het carillon vanuit het Oosten, geschilderd door Jan van der Heyden in 1660.

Deze vooruitgangsgedachte leverde leverde een moderne beiaard op, gestemd in middentoonstemming, met een modern klinkende discant. De focus lag geheel op deze voordelen, van de ernst van de nadelen werd men zich pas in latere decennia bewust. Het instrument ademde in klank noch in speelaard of verschijningsvorm iets van de 17de eeuw. En bij nader inzien, vormden de compacte centrale opstelling en de niet-gebruikte Hemonyklokken problematische akoestische obstakels, waardoor de klank van het instrument nogal boven in de toren bleef hangen en niet goed in balans was. Al met al: de nagestreefde voordelen kwamen niet allemaal zo goed uit de verf als bedoeld.

Roest biedt kansen

In 2021 wees onderzoek uit dat de Westertoren een grootschalig bouwkundig herstel nodig had en dat met name de klokkenstoel uit 1959 door roestvorming ernstig was aangetast. De gemeente Amsterdam liet voor de beiaard een restauratieplan opstellen waarbij de volgende uitgangspunten leidend waren:

-het in 1959 gekozen concept waarbij een stalen frame de klokken huisvest, blijft gehandhaafd

-de nieuwe klokkenstoel wordt zo ontworpen dat de klokkenreeks die er in 1699 al was, weer in de historische posities in de vensters komt te hangen

-het in 1959 toegevoegde 4de octaaf wordt binnenin de lantaarn gepositioneerd, direct onder de uurklok

-mede daarom kan van een terugkeer naar een broek-systeem geen sprake zijn, en wordt een moderne tractuur met gerichte tuimelaars toegepast

-de speeltafel, die in 2007 in de plaats van het stalen klavier was gekomen, komt op de oorspronkelijke klavierzolder te staan, de tussenverdieping verdwijnt

-de hamers van het trommelspeelwerk worden met overstekende hamerstelen weer aan de buitenzijde van de klokken bevestigd, zodat men ze vanaf de straat weer kan zien, en kan zien bewegen

-de tractuur voor het trommelspeelwerk gaat terug naar zijn 17de eeuwse plek, tegen het plafond van de klavierzolder

-enkele nog oorspronkelijke gesmede ijzeren hamerkoppen verschuiven naar de klokken waarvoor ze bedoeld waren, de stalen hamerkoppen uit 1959 worden vervangen door nieuwe exemplaren van mangaanmessing, net zoals de klepels.

-de gewichten van hamers en klepels volgen voor de 14 Hemonyklokken de oorspronkelijke gewichtsschaal en voor de 36 Eijsboutsklokken een afwijkende schaal, met de bedoeling de klankkleurverschillen tussen beide klok-typen minder opvallend te maken.

-aan de hand van een prachtige tekening van mejuffrouw B. Bijtelaar uit 1947 wordt de houten trap vanaf de vloer van de klavierzolder naar de lantaarn gereconstrueerd

Het doel van dit herontwerp:

-het terugbrengen van de ruimtelijke, open klankwerking die de oorspronkelijke Hemonybeiaard kenschetste

-het terugbrengen van het aanzien dat de lantaarn van de Westertoren tussen 1659 en 1959 had

-het handhaven van de positieve kenmerken van de technische elementen van 1959, met het slim ontworpen klokkenframe en de moderne tractuur en natuurlijk het krachtig klinkende 4de octaaf

-het herstellen van de oorspronkelijke hoge, open klavierzolder

De gerestaureerde toren, gezien vanuit het Oosten, er hangen weer kleine klokken in het venster

Zou Anne Frank de klank van het carillon weer herkennen?

Of de gestelde doelen volledig zijn bereikt, is in de eerste plaats te beoordelen door de luisterende inwoners en bezoekers van Amsterdam, en door de vaste bespeler van de Westertorenbeiaard. Vast staat dat het silhouet van de Westertoren en zijn doorluchtige klokkenlantaarn, zoals bijvoorbeeld Jan van der Heyden het schilderde in 1660, inderdaad teruggekeerd is. Ook kunnen we opnieuw vaststellen dat de broers Hemony en de bouwers waarmee zij werkten, heel goed wisten wat ze deden en dat terughoudendheid geboden is bij het doorvoeren van veranderingen aan instrumenten die hun concepten nog dragen of nog kunnen dragen. Dat laat onverlet dat de na-oorlogse vooruitgangsgedachte ook voor mooie ontwikkelingen in de beiaardbouw heeft gezorgd, en sommige daarvan zijn ook nu nog in de Westertorenbeiaard stralend in werking.

Luidklokken

Kort na het voltooien van de beiaardklokken, goot François Hemony in 1659 drie nieuwe luidklokken voor de Westertoren. Dit harmonische gelui, met de drieklank Bº, Dis’ en Fis’, verloor in 1686, ten gevolge van een barst, zijn grootste klok. Een nieuwe basisklok werd hergoten door Claude Fremy en gestemd door Sybrandus van Noordt. In de eerste decennia van de 20ste eeuw, werden de oorspronkelijke houten luidbalken vervangen door de in de mode geraakte krukassen. Een tragische verslechtering van de klank van dit gelui en afgebroken klepel-ogen waren daarvan het gevolg. De opdrachtgever durfde helaas niet de stap te zetten rechte luidassen te laten terugkeren, vrezend voor een ongewenste mechanische belasting van de toren. De gelaste plaatstalen krukassen en alle ophangwerken werden daarom opgeknapt. Wel kwamen er nieuwe gesmeed stalen klepels. De bovenkant van de stelen werd uitgevoerd als een traditioneel ‘stijgbeugel’-oog, waardoor een dubbele scharniering mogelijk werd. Een sterke reductie van de belasting van het klepeloog, van de klok zelf èn van de klepel werd hierdoor gerealiseerd, terwijl de klokken aanmerkelijk minder ruw klinken.

Hemonyklok Cis’’, links en rechts vergezeld door Eijsboutsklokjes A#3 en B3, waar in 1699 de klokjes van Claes Noorden werden opgehangen. Te zien zijn twee nieuwe trommelhamers met hamerkoppen uit 1659.

Dank

is verschuldigd aan:

-Petra van Diemen, architectuurhistoricus van TAK architecten, die dit ingewikkelde project vakkundig en gedreven en met een scherp oog voor het campanologische belang heeft geleid

-de afdeling Vastgoed en de afdeling Cultureel Erfgoed van de Gemeente Amsterdam die het kritische streven naar zorgvuldigheid, duurzaamheid en zorg voor monumentale waarde mogelijk heeft gemaakt en heeft aangemoedigd

-Henk van Blooijs en overige vakmensen van Koninklijke Eijsbouts die zich nauwgezet van hun verantwoordelijke taak hebben gekweten en steeds bereid bleken tot het zetten van extra stappen omwille van het allerbeste resultaat

-stadsbeiaardier Boudewijn Zwart voor zijn vertrouwen, zijn geduld en zijn onvermoeibare meedenken in de zoektocht naar praktische oplossingen

HOME Amsterdam Westertoren